|
|
|
| wie zijn wij | ONDERWERPEN |
|
DOWNLOAD |
|
Uitverkiezing / Predestinatie Texten DIE DE VRIJE WIL LIJKEN UIT TE SLUITEN Het is ons bewust, dat iemand die aan deze leer gewend is, problemen heeft met enigen texten in de Bijbel. Om de werkelijke betekenis van de verzen, die als uitverkiezing klinken, te begrijpen is een grondige studie van deze verzen nodig. Desalnietemin is het essentieel in gedachten te houden wat we over Gods wezen weten. Verder vinden we in het Oude en Nieuwe Testament uitdrukkingen die niet woordelijk te verstaan zijn. Wij kunnen helaas niet alle texten in deze schrift behandelen, maar we proberen de meestgebruikte te noemen.
Waarop ligt de nadruk in vers 4? Als we benadrukken dat “Hij ons uitverkoren heeft”, dan zou men het kunnen interpreteren zoals Calvijn het doet. Maar het beeld verandert compleet als we het lezen “Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem”. Als we de text op die manier interpreteren, staat hier eigenlijk niets anders als in Joh. 3:16. Dat betekent dat God alle mensen will verlossen die in Zijn Zoon geloven en dat die, die Zijn Zoon verwerpen verloren zullen gaan. In
Éfeze 1:4 betekent dit, dat Hij ons in Christus heeft uitverkoren en
in Hem alleen. Diezelfde gedachtengang wordt uitgedrukt in vers 3,5
en 11. Daarom betekent dat, dat als we niet tot Christus komen,
plaatsen we onszelf buiten de grenzen van Gods uitverkiezing. De leer
van verkiezing of uitverkiezing in Christus is eenvoudigweg een
uitdrukking voor het feit, dat we alleen door Gods genade gered
worden. Niet op basis van werken, maar op basis van de genade die God
ons geeft. Deze genade is voor alle mensen verkrijgbaar en niet
alleen maar voor een bepaald aantal mensen zoals de Calvinisten het
interpreteren.
In het begin van het hoofdstuk schrijft Paulus over het voorbeeld van Jezus dat Hij gaf doordat Hij zich helemaal vernederde. Hij dacht alleen maar aan wat het beste was voor anderen en gaf Zijn leven in alle aspecten voor de mensen. Daarom kreeg Hij Zijn heerlijkheid terug.
In vers 12 gaat Paulus daarmee verder en legt uit dat we “daarom” alles moeten doen wat we kunnen en wat in onze kracht is om vast te houden aan de relatie met God om het doel van onze verlossing te bereiken. Het is duidelijk dat onze wil en onze kracht voor deze beslissing nooit sterk genoeg is. Daarom moeten we Gods aangezicht met “vrezen en beven” zoeken. Dit drukt eer, verheerlijking, ernstigheid en respect uit en het bewustzijn dat we voor de almachtige en alwetende God staan (vs 12), die onze kleine wil sterkt die we hebben (vs 13). Hij geeft ons de kracht om te willen en te handelen. Het is belangrijk dat er geen misverstand ontstaat bij vers 13, dat men zou denken dat iemand geen invloed op zijn eigen wil kan hebben. Anders zou Paulus in vers 12 nooit geschreven hebben: “werkt uws zelfs zaligheid met vreze en beven”. Om dit te kunnen doen, is het een voorwaarde dat iemand de wil heeft om dit te kunnen doen. Vers 13 begint dan ook met: “Want het is God, die in u werkt”. Deze uitdrukking laat zien dat vers 13 uitlegt waarom we Gods aangezicht moeten zoeken met vrezen en beven, namelijk, omdat Hij de enige is die kan helpen. (Deze samenwerking tussen de goddelijke en de menselijke activiteit wordt ook in Hebreën 13:21 uitgedrukt).(1)
In de verzen voor vers 44 zegt Jezus dat Hij het ware brood is, dat Hij het eeuwige leven geeft en dat de mensen in hem moeten geloven. Daarom roept Hij de mensen op om Hem te volgen als Messias. Voor de Joden was het altijd al duidelijk dat ze alleen God moesten volgen. Daarom was het voor hen heel erg moeilijk om de oproep van Jezus te accepteren (dat de mensen hem moeten volgen). Daarom benadrukt hij de diepe eenheid tussen de Vader die ze al kenden. Het feit dat de Vader een mens trekt drukt uit hoe iemand tot Jezus komt, maar het drukt niet uit dat de Vader niet bereid zou zijn om iedereen te trekken als ze bereid zouden zijn om te volgen. Nog meer over de context: De uitspraak van Jezus is een directe reaktie op de, aan de ene kant verachtende, aan de andere kant teleurgestelde vraag in vers 42:
Het zou op geen enkele manier in de context passen als Jezus hierop op een manier geantwoord had van: “Jullie kunnen helemaal niet zelf beslissen” of “De Vader kiest de mensen die een relatie met mij kunnen hebben”. Maar de reactie van de mensen laat zien dat zij begrepen dat Jezus zegt dat Hij de zoon van God is die van de hemel nedergedaald is, die in perfecte eenheid met de Vader is. In vers 45 gaat Hij verder:
In deze verzen gaat het erover hoe we de openbaring van God op de goede manier begrijpen kunnen en de goede houding tegenover de Messias, dat betekent tegenover Jezus. Iedereen is uitgenodigd, niet een bepaalde elitegroep van mensen die dat nog niet weten.
Het probeleem van de Joden (in het bijzonder 9:1-8, 30-33) De Joden steunden op de wet en de beloften die aan hen werden gegeven. Zij deden dit op een formalistische en niet op een geestelijke manier (Lk. 3:8). Ze luisterden niet naar Jezus (Joh. 8:39). Dat had schijnbare tegenstelling tot gevolg. De heidenen vonden de Verlossing, hoewel ze daarnaar niet hadden gezocht. De Joden, die onvermoeibaar “jaagden” naar de verlossing, konden ze niet vinden. (Rom 9:30-32). Paulus geeft de oplossing voor deze “tegenstelling” in het negende hoofdstuk van de brief aan de Romeinen door te zeggen, dat een mens met zijn activiteit niet de MAATSTAF voor gerechtigheid vast kan stellen. Hij begint met het thema van de beloften. De text in detail In vers 1-5 beschrijft Paulus, wat Israel allemaal gekregen had: het zoonschap, de heerlijkheid, de verbonden, de wetgeving, de godsdienst en de beloften, dat de Messias uit de Joden zou komen. Joden zien deze dingen als garantie voor hun verlossing. Toch zegt Paulus (vers 1-3), dat de meeste van hen niet gered worden. Voor de Joden is dat een tegenstelling. Paulus drukt deze manier van denken in vers 6 uit waar hij zegt: ... niet, alsof het woord Gods ware uitgevallen. (zogezegd: dat zijn woorden van belofte (vs 1-5) niet uitkomen). De Joden kregen wel veel beloften, toch werden de meeste Joden niet gered. Vers 6 Het woord van God is niet uitgevallen! Zeker niet! Het is niet het belangrijkste, om zaad Abrahams (een nakomeling) te zijn, maar om gehoorzaam te zijn! Een kind der belofte dat als “zaad Abrahams” gezien wordt. (vers 7/8). Vers 9-13: Paulus schrijft over Izaak en Jakob. Jakob is een bijzonder goed voorbeeld, dat de belofte niet door menselijke maatstaven geerft werd. Ezau was de eerstgeborene en volgens de traditie was hij de erfgenaam van de belofte gewezen. Maar de werkelijkheid zag er anders uit. Hierdoor is het goed zichtbaar, dat God zich het recht voorbehoudt om te beslissen, wie de drager van de belofte moet worden. (Niet de MENSELIJKE MAATSTAF, maar GODS MAATSTAF) Eigenlijk schrijft Paulus hier over de vraag van de geestelijke taken in het heilsplan. Vers 11 Want als [de] [kinderen] nog niet geboren waren, noch iets goeds of kwaads gedaan hadden, ... God besliste, dat Ezau Jakob moest dienen. Deze onderwerping van Ezau tegenover Jakob drukt zeker niet uit, dat God vantevoren beslist had, wie Hij zou redden en wie Hij zou verdoemen. Maar het drukt uit, dat God al voor de geboorte besliste, wie de drager van de belofte zou zijn. Daardoor kon Jakob er niet trots op zijn en zeggen dat hij het door werken verdient zou hebben (vers 12). Vers 13 wordt vaak op de volgende manier geinterpreteerd: dat aan Rebekka al voor de geboorte van de tweeling geopenbaard werd, dat God Jakob lief zou hebben en Ezau zou haten. Dat klopt niet! Vers 13 is een citaat uit Maleachi 1: 1-5 dat vele eeuwen na de dood van Ezau en Jakob werd geschreven. Deze text is geschreven, om uit te drukken dat God het volk van Ezau (de Edomieten) had verworpen, omdat ze van het begin af aan een vijandschappelijke houding tegenover Israel hadden. (Numerie 20: 14-21). Het gaat wederom niet om Ezaus persoonlijke lot, maar om het lot van de Edomieten als volk. Paulus citeert Maleachie om te laten zien, dat Israel (Jakobs nakomelingen) de gekozenen zijn. De Verzen 14-16 Is er onrechtvaardigheid bij God? Dat zij verre! Omdat God kiest en verordineert volgens zijn eigen maatstaven (=die die zich werkelijk aan God willen onderwerpen en gehoorzaam willen zijn). Hij heeft het recht om te beslissen wie de belofte zal dragen. De verzen 17-19 Het gaat hier niet om de bestemming van de Farao in de eeuwigheid, maar om de toestemming voor de Israelieten om Egypte te verlaten. Gods plannen voor de mensheid kan niemand tegenhouden. Ook al zou de Farao toestaan dat de Israelieten het land verlieten, dan zou hij zijn geloof toch niet hebben veranderd. Hij zou dan een afgodendienaar gebleven zijn. God schiep de mensen, zo dat hij zich verhardt als hij God afwijst. In dit voorbeeld is het duidelijk, dat Paulus niet uit wil leggen, waarom de Farao naar de hel gaat en niet door God gekozen is, maar dat het om zijn slechtheid gaat, omdat hij tegen het Joodse volk werkt. Bij de verzen 20-24 Paulus heeft Paulus Jeremia 18: 1-10 als bron von zijn gedachten: In Jeremia vormt een pottenbakker de klei. Het lijkt erop dat hij ziet, hoe de mensen handelen en precies op diezelfde manier vormt hij de potten. Maar er gebeurt hier ook iets anders. De pottebakker vormt uit de oude klei van de kapot gemaakte vaten, vaten ter ere. Dat betekent dat deze text op een zeer sterke manier tegen uitverkiezing spreekt en dat het hier eigenlijk over Gods genade gaat. Paulus behandlt de gelijkenis van de pottenbakker “tweevoudig”. De verzen 20-21 en 22-24. Beide verzen zijn niet geheel van elkaar te scheiden en Paulus gaat ook niet op alle aspecten in. Een beeld wordt twee maal gebruikt op verschillende manieren. Eerst de verzen 20-21, Paulus zegt niet, dat een mens God niet kan bekritiseren voor de manier waarop hij gemaakt is. De pottenbakker heeft het recht om vaten te maken ter ere en ter onere. Het is belangrijk om te begrijpen dat de vaten ter ere en de vaten ter onere beide nodig zijn in de huishouding (b.v. wijnglazen en poetsemmers). Dat betekent dat het in verzen er niet over verlossing en verdoemenis gaat, maar over een belangrijk en minder belangrijk doel. God heeft het recht om te beslissen of iemand een belangrijke of een minder belangrijke taak krijgt. In de verzen 22-24 schrijft Paulus over de vaten des toorns en de vaten der barmhartigheid. Met de laatstgenoemde groep identificeerd hij de christenen uit de heidenen en uit de Joden. De vaten des toorns zijn die, die beslist hebben God niet te volgen. Het feit dat mensen beslissen om God niet te volgen is niet expliciet genoemd hier, maar dat moeten we aannemen door andere texten. We zien dat Paulus hier het thema van de eeuwige bestemming van de mensen beroert. Hij wil niet zeggen dat we onze bestemming niet kunnen beinvloeden, maar dat de mensen zich God moeten onderwerpen en dat ze zijn wegen, die van tevoren zijn voorbereid moeten volgen. (vers 23) Het is moeilijk om een duidelijke overgang van de themas te zien. Gods grootheid wordt benadrukt. Niet omdat God willekeurig over de eeuwige bestemming van de mensen beslist, maar omdat de mensen zich God en de weg die Hij in Christus geopend heeft moeten onderwerpen. Door het lezen van de verzen in Jeremia, die hier worden geciteerd, kunnen we zien dat er van uit wordt gegaan dat de Joden een vrije keus hebben of ze God willen volgen of niet. De Joden kunnen niet helemaal worden vergeleken met een vat, dat slecht geschapen werd en daarom door God verworpen als Joods volk waarna Hij een ander volk koos. Het beeld heeft grenzen, ook omdat klei geen vrije wil heeft in tegenstelling tot mensen. Als God iets schept, zal het niet mislukken. De vervorming van de vaten is niet het werk van de pottenbakker, maar van de vaten zelf. Daarom is het vergelijk relatief. Het is duidelijk dat Paulus deze gelijkenis in Romeinen 9 in het licht van Jeremia gebruikt. VOETNOTEN
|
Wij staan toe dat op andere websites een link naar onze website wordt gemaakt. Alle andere vormen van gebruik zijn aan onze toestemming gebonden. [IE6 or higher][1024x768][Full Screen(F11)] |